Verslag van het bezoek aan Warmenhuizen in 1706

Hieronder een hertaling die ik heb gemaakt van het vorige bericht in wat moderner Nederlands. Het betreft een verslag van het bezoek van Adriana Constantia Sohier, Vrouwe van Warmenhuizen, waarvan het origineel door haarzelf geschreven is.

Verslag van onze reis naar Warmenhuizen in juli 1706

Op 22 juli 1706 om 5 uur in de ochtend zijn juffr. Rietmolen en ik van Sandvliet vertrokken met bestemming Alkmaar, om daar de nacht door te brengen en uit te rusten. Onderweg passeerden wij Hillegom, Bennebroek, Haarlem, Santpoort en Velsen. Vervolgens hebben wij in Beverwijk ongeveer 3 of 4 uur uitgerust, en reden vervolgens via Uitgeest, Limmen en Heiloo, waarna wij om ongeveer 7 uur in de avond in Alkmaar aankwamen. Daar verbleven wij in de voornaamste herberg genaamd de Toelast, waar alle fatsoenlijke mensen hun intrek nemen. Onze keukenmeid was daar ook al. Zij was met de bagage met de schuit van Haarlem naar Alkmaar gereisd. Om drie uur in de ochtend zonden wij onze knecht met paard naar Warmenhuizen, om onze secretaris daar op de hoogte te brengen van onze aankomst in Alkmaar. Hij kwam terug met het bericht dat de jonge secretaris (1) met zijn huisvrouw ons in Alkmaar zou opwachten en hun dienst aanbieden.

Om 7 uur in de ochtend van vrijdag 23 juli kwam de jonge secretaris met zijn vrouw aan in ons logement. Om 8 uur kwam hij ons begroeten in onze kamer, en na de nodige handelingen in Alkmaar zijn we om 11 uur met de secretaris en zijn vrouw op reis gegaan naar Warmenhuizen. We passeerden de dorpen Bergen, Schoorl en Schoorldam, welke laatstgenoemde ook van mij is, en zo naderden wij Warmenhuizen. Dicht bij het dorp, binnen de gemeente zijn twee hekken. Na het passeren van de eerste vroegen enkele mensen of ik de Vrouwe van Warmenhuizen was. Ik antwoordde ja. Daarop liepen ze voor ons uit en riepen ‘daar komt de Vrouwe van Warmenhuizen aan, laten wij haar verwelkomen’. Nadat we het tweede hek voorbij gereden waren kwamen wij in mijn vrije heerlijkheid van Warmenhuizen, waar iedereen uit de huizen kwam. De mensen juichten en schreeuwden ‘wees welkom, wij hebben zo naar u verlangd, wat zijn we blij u te zien, lang leve de Vrouwe van Warmenhuizen’. De mensenmassa en hun bijzondere vreugde was waardig om te aanschouwen. Verschillende huislieden die op het land werkten, kwamen met zoveel ijver aanlopen dat sommige zelfs in de sloten liepen. Deze mensen vergezelden ons van het begin van de heerlijkheid tot aan het huis van de oude secretaris (1) waar wij ons logement zouden nemen. Hij woont zeer plezierig. Voor zijn deur aan de openbare weg is een groot bleekveld met in het midden een schoon hekje met een ‘zoet’ straatje richting zijn huis. Aan het eind van het bleekveld en deze straat is een redelijk hoge brug waaronder de trekvaart passeert van Alkmaar naar Warmenhuizen, en naar geheel Noord-Holland. Over deze brug gaat het naar het huis van de secretaris. Op het bleekveld aan iedere zijde van het hekje stonden de mensen opgesteld om ons te zien passeren naar het huis van mijn secretaris. Er was bijna geen ruimte om daar te komen door de menigte van het volk. De oude secretaris kwam bij de koets om ons in te halen, en ontving ons met veel liefde en eerbied, en verzocht ons in zijn huis te komen. De buitengewone genegenheid van alle inwoners die mij betuigden heel verheugd te zijn met mijn komst is niet uit te drukken. Verschillende mensen schreeuwden van vreugde. Het was niet mogelijk om hun tedere liefde en blijdschap zonder ontroering aan te zien. Om ongeveer 2 uur in de middag traden wij dan eindelijk het huis van de secretaris binnen. Hij en zijn huisvrouw ontvingen ons met uitzonderlijke tekenen van vreugde. Nadat wij het middagmaal daar genoten hadden, wou mijn predikant met zijn huisvrouw ons begroeten wat wij om half zes afspraken. Zijn gedistingeerde toespraak bevatte het volgende: hij was blij het geluk te hebben om de regerende Vrouwe van Warmenhuizen en juffr. Rietmolen te mogen complimenteren, en hij wenste haar nog vele voorspoedige jaren als Vrouwe van haar vrije heerlijkheid. Na een uurtje nam hij afscheid. Daarna kwamen nog enkele goede vrienden en oude regenten van Warmenhuizen om ons ook te verwelkomen, waarmee de dag ten einde liep.


Op zaterdag 24 juli deed ik in de morgen mijn boekhouding van mijn bezittingen in Warmenhuizen. Normaal gesproken komt de secretaris daar speciaal voor over, maar omdat ik nu toch zelf in Warmenhuizen was, wilde ik het daar wel doen. Na de middag verbleven wij met de oude en jonge secretaris en hun huisvrouwen. Daarna wilden wij vrij zijn zoals we via onze bode hadden gevraagd. Om ongeveer 7 uur gingen wij de kerk bezichtigen. Deze stond op niet verder dan 8 à 10 huizen afstand van de secretaris zijn huis. Omdat er geen speciale stoelen voor de Heer of Vrouwe in de kerk stonden, liet ik mijn koster enige banken recht voor de preekstoel plaatsen met twee fluwelen stoelen waar wij zondag op zouden gaan zitten. Daarna bezichtigden wij het rechthuis, de schepen- en weesmeesterskamer, en de school met schoolmeestershuis. Thuis gekomen zei de secretaris mij dat enige goede vrienden verzocht hadden of wij in de ochtend, of liever na de middag, in de kerk zouden komen. De burgers van Krabbendam en Schoorldam, welke ook mijn heerlijkheden zijn, zouden dan ook graag in de kerk van Warmenhuizen willen komen om hun Vrouwe voor de eerst keer te zien. Wij zeiden dat wij voor hun plezier in de namiddag onze godsdienst zouden waarnemen. Dit is wel tegen onze gebruikelijke gewoonte, maar voor het plezier van de inwoners zouden wij hiervan afstappen, wat zeer aangenaam door iedereen werd ervaren.


Op zondag 25 juli om 1 uur gingen wij zonder koets naar de kerk, gevolgd door ons personeel en een behoorlijk aantal mensen die op onze komst hadden gewacht. Men zong een speciaal uitgekozen psalm, te weten de 45e voor de predicatie, waarvan ze van tevoren hadden gevraagd of ik dat goed vond. De heer Hondius, mijn predikant in Warmenhuizen deed een deftige preek, en had mij met een openbare zegen begroet. Hij achtte zich bijzonder gelukkig om zijn gehoor te zien in tegenwoordigheid van zijn regerende Vrouwe, en hoopte dat zij vele jaren gelukkig zal zijn met alle tijdelijke en geestelijke zegeningen etc. Verder sprak hij zijn burgers toe en bemerkte hun vreugde over de komst van hun Vrouwe in deze heerlijkheid. De eer en vriendschap die zij haar bewezen is zeer billijk omdat zijn haar veel verschuldigd zijn. Hij wenste dat zij nog lang onder zo’n vreedzame regering zouden leven, en haar liefde en trouw zullen bewijzen zoals gehoorzame onderdanen schuldig zijn etc. Na de preek zong men het derde vers van psalm 72. Bij het uitgaan van de kerk ordenden de mensen zich om ons te laten gaan door de middelste galerij van de kerk, met aan beide zijden het volk geplaatst, waar zij ons met Gods zegen een lang leven toewensten, en ons vergezelden tot het huis van de secretaris waar wij logeerden. De meeste mensen bleven voor het huis staan in de verwachting dat zij ons door de deur of vensters nog zouden zien, wat zij luid riepen en verzochten. Wij hadden een behoorlijke hoeveelheid suiker amandelen vanuit Alkmaar laten komen om uit te delen aan de kinderen van Warmenhuizen tijdens ons vertrek, maar omdat er nu veel kinderen aanwezig waren, en wij verzocht werden bij de deur te komen, besloten wij deze suiker amandelen te strooien onder het volk. Het was een groot plezier om de vreugde te zien van allen, zowel oud als jong, zelfs mannen met grijze haren, die even graag naar de suiker grepen. Zij zeiden zo in hun schik te zijn met deze onverwachte zoetigheid als met de suiker zelf. Dit vermaak duurde ongeveer een kwartier tot wij ons weer in huis terugtrokken onder het toeroepen van vele dankzeggingen. Voordat ik over ga tot verdere plechtigheden, moet ik tussendoor iets zeggen over de kerk van Warmenhuizen. Deze is zeer groot en deftig en heeft een grote galerij rondom de banken, net als in de grote kerk van Den Haag. In het midden van de banken is een grote doorgang met aan beide zijden zes zware pilaren. Hieruit gaat met rechtdoor naar het koor dat mooi groot is en zeer bijzonder geschilderd is, afbeeldende verschillende verhalen uit het oude testament. Deze kerk is ongeveer net zo groot als de kloosterkerk in Den Haag, en heeft drie ‘brave’ klokken, boven in de toren, die dagelijks geluid worden als er iemand overleden is, wat een groot ornament is voor een dorp aangezien nergens of zeldzaam een kerk gevonden wordt met meer dan een klok.
Terug naar ons verblijf, op zondagmiddag om 4 uur kwam de bode namens de regenten vragen of ze het geluk mochten hebben om ons te verwelkomen. Ik sprak af om 5 uur. Daarop kwamen twee burgemeesters, acht schepenen, de baljuw, schout en secretaris, zijnde de huidige regenten. De oude vroedschappen hadden de een na de ander hun plicht al afgelegd. De oudste burgemeester richtte zich tot mij namens het hele college. Zij achtten zich zeer gelukkig hun vrije Vrouwe te mogen begroeten en wensten haar een langdurige en gezegende regering met alle denkbare voorspoed. Zij drongen sterk aan om ons een andere dag te mogen trakteren, maar ik bedankte hartelijk en zei dat deze uitnodiging mij genoegen geeft, maar dat ik dit maal ben gekomen om mijn burgers en inwoners te onthalen. Een andere keer als ik weer kom, zal ik u bezoeken. Onder protest lieten zij dit zeggen en beloofden om de andere dag mijn gast te zijn. De regenten namen afscheid, en wij gingen om 6 uur naar mijn predikant die mij verzocht had om een kopje thee te komen drinken in zijn huis, omdat wij geweigerd hadden om bij hem te eten. Hij woont op het kerkhof aan de openbare weg, waar het mooi breed is. Om 6 uur begonnen de drie klokken te luiden, de trommel te slaan, en alle burgers kwamen in rijen bewapend achter het vaandel (dat zeer kostelijk is) en de trommelslager aan. Er was zo’n grote toeloop van mensen net als op de victorie dag van ‘hogstet’. Dit is nu de ceremonie die ik had toegestaan aan de burgers voor mijn inhuldiging, want ik wou niet dat men schieten zou als ik de heerlijkheid in kwam rijden, en daarom had ik deze vreugde op zondagavond toegestaan. Daar begonnen de verschillende salvo’s voor ons venster, en iedereen deed zijn best, de klokken met luiden, de trommel met slaan, het vaandel met zwieren, en de burgers met schieten. Dit duurde tot 8 uur toen de burgers ons lieten vragen of zij de eer mochten hebben ons thuis mochten brengen, wat wij goedkeurden onder voorwaarde dat zij niet schieten zouden. Hierop vertrokken wij van de dominee die ons thuis bracht. Het vaandel zwierde boven ons hoofd, de trommel daar stilzwijgend achteraan, en vervolgens de burgers twee aan twee met de snaphaan (2) op de schouder. Voor onze deur gekomen keerde ik mij om, en bedankte de brave burgerij voor de eer die zij mij hadden aangedaan door mij zo deftig in te halen en te verwelkomen. Vervolgens zei ik ‘burgers gaat u nu vrolijk maken op mijn gezondheid met een glas goed bier dat ik voor u bezorgd heb’, wat zij met plezier aannamen, mij bedankende voor de eer van mijn voorstel. Deze vreugde van de burgers duurde de hele nacht, en zij vermaakten zich ‘lustig vrolijk’ en haalden onze dienstboden om de nacht door te brengen.


Op maandag 26 juli om 2 uur kwamen de genodigde regenten en de predikant bij ons het middagmaal houden, waarbij ik ook verschillende vroedschappen had uitgenodigd, zodat we aan een lange tafel zaten met ongeveer 30 personen. De gasten waren ‘lustig vrolijk’ en dronken alle soorten die ons maar enigszins aangenaam kon wezen. Ik zat onder een mooi versierde kroon van ‘maegde palm’, zeer net opgemaakt met gouden en zilveren bloemen die de jonge dochters mij vereerd hadden om boven mijn hoofd te hangen gedurende mijn hele verblijf daar, en die ik ook mee naar huis heb genomen. Aan de tafel zittende vroeg de dominee mij toestemming om namens de burgerij een gedicht te mogen lezen. Ik gaf hem die vrijheid, en het gedicht werd voorgelezen. Het gedicht werd later gedrukt en is hierbij gevoegd.
Om 6 uur kreeg ik de boodschap van een bediende van de priester die in deze gemeente dienst doet (3), dat deze priester nederig verzocht de eer te hebben zijn respect te komen betuigen. Ik antwoordde dat ik hierop wou ingaan, maar dat ik nogal bezet was in de tijd, en dat ik om 10 uur in de avond zou gaan wandelen, en hem dan kom spreken. Ik weigerde om zijn bezoek aan mijn huis te ontvangen omdat de mensen daar zeer eenvoudig en serieus zijn en dat ik hen geen reden tot ergernis wilde geven. We gingen om ongeveer 10 uur, vergezeld van de twee secretarissen naar het huis van voornoemde priester. Hij ontving ons zeer beleefd en betuigde met buitengewone uitdrukking hoe blij dat hij was om in zijn hoge ouderdom het geluk had om mij te zien. Hij verzocht mij zijn dienst te mogen voortzetten, waarbij hij zei dat mijn grootvader en vader (4) hem die vrijheid al hadden gegeven. Hij bedankte mij dat ik hem dat ook vergunde, en verzocht mij ernstig dat zijn gemeente na zijn dood – hij was een man van zeventig jaar – ook dezelfde vrijheid mocht behouden. Ik zei hem dat ik tevreden was met de goede orde die hij hield onder de papisten, en in het geval dat zijn opvolgers dezelfde leiding hadden, dat ik het dan niet zou verhinderen, aangezien ik ervan verzekerd was dat God de Heer in alle religies de zijne had. Wij troffen daar een nette gedekte tafel met spijzen, waar wij ongeveer een uur onze tijd mee doorbrachten. De ‘paepse’ kerk die dicht bij zijn huis was, was netjes in orde om aan ons te laten zien. Wij vonden het heel schoon en redelijk groot. Deze was versierd met drie altaren naast elkaar, waarop 16 wassen kaarsen stonden die ter ere van onze komst aangestoken waren, wat er zeer deftig uitzag. De altaren waren verder kostbaar voorzien van verschillende gouden, zilveren en kristallen ornamenten, wat zo curieus stond dat het waard was om te zien. Zondag had de priester buitengewone muziek gehad ter ere van mijn komst. Er waren vier ‘klopjes’ (5) die op de kerk pasten en ons met de priester de kerk lieten zien. Sint Ursula met haar 11.000 maagden is de patrones van deze kerk. Wij gingen om 12 uur weer naar huis, nadat de priester ons alle geestelijke en lichamelijke zegeningen had toegewenst.


Op dinsdag 27 juli hadden wij de vrouwen van de regenten en van de dominee uitgenodigd om te eten, samen met de jonge dochters die mij de kroon vereerd hadden. Zij waren ‘lustig vrolijk’ en de jongelui zongen verschillende ‘soete’ liedjes, die zij speciaal gemaakt hadden op mijn eerste komst en intrede in mijn heerlijkheid. Zij hadden veel bewondering voor onze kleding die zij nooit zo prachtig gezien hadden, want wij waren dagelijks zo in orde alsof wij ter bruiloft zouden gaan. Zij namen afscheid en wensten ons alle goeds.


Op woensdag 28 juli gingen wij varen door mijn gemeente naar Krabbendam, waar ik ook met veel plezier werd ingehaald onder het lossen van de burgers hun geweer. Zij waren allen uitgelopen alsof men koning Karel de derde zouden zien, en riepen ‘wees welkom, de hemel zegene onze Vrouwe’ etc. Na wat te hebben rondgevaren en iedereen een goede dag gewenst hadden, keerden wij weer terug, en voeren overal door Warmenhuizen waardoor wij ongeveer drie uur werk hadden, omdat de gemeente ruim 1.200 morgen groot is. Wij hadden ook in Krabbendam een mandje met suiker amandelen meegenomen, welke wij van het begin van de huizen tot aan het einde toegooiden, wat met veel plezier aangenomen werd.


Op donderdag 29 juli hadden wij nog veel bezoek van vrienden van het huis van Warmenhuizen, waaronder enige waren die fraaie gedichten op mijn komst hadden gemaakt. Verder hadden wij het plezier om met de mensen van het huis te praten, waarin wij dagelijks verhinderd waren door de menigte van het bezoek.


Op vrijdag 30 juli besloten wij om te vertrekken, wel met veel spijt omdat we onze tijd in Warmenhuizen met genoegen hadden doorgebracht. De secretaris verzocht zeer sterk, met nog vele andere goede vrienden, om ons vertrek tot volgende week uit te stellen, maar omdat wij thuis moesten zijn stelden wij onze reis vast, in de namiddag om 5 uur. Wij waren weer voorzien van een goede doos met suiker amandelen om de kinderen toe te gooien als wij door het dorp wegreden. Nadat wij afscheid hadden genomen van de secretarissen met hun huisvrouwen, die zeer bitter ‘weenden’ omdat zij ons zeer liefhebben, stapten wij in de koets. Hier was de straat weer vol mensen, die mij allen een gelukkige reis wensten, en een lang leven etc. Wij gooiden ‘braaf’ suiker rond en vertrokken uit mijn dorp met zoetigheid. Wij reden weer door Schoorldam, waar al het volk op de been was, en iedereen verzocht mij in hun huis te komen, terwijl zij nooit hun Vrouwe gezien hadden, maar omdat wij in de avond in Alkmaar moesten zijn, hadden wij geen tijd om ergens aan te gaan. Daar stonden twee vrouwen die ieder een ‘brave Roemer wijn gereet hadden’, zeer netjes versierd met groente, die zij mij presenteerden. Ik nam deze met genegenheid aan en bedankte hen. Zij wensten mij gezamenlijk, als zijnde hun regerende Vrouwe, alle heil en zegen en een gelukkige reis, daarbij voegende dat zij mij in een ander jaar weer hoopten te zien, net als de burgers van Warmenhuizen ook betuigden.
Het zou mij onmogelijk zijn, ondanks dit grote verslag, te vertellen van alle goedheden, zoetigheden, eer, liefde en vriendschap, die mij bewezen is door de inwoners van Warmenhuizen, Krabbendam en Schoorldam. Ik zou alleen maar willen dat mijn goede vrienden het allemaal hadden bijgewoond. Ik ben voor altijd voldaan dat ik deze reis eindelijk ondernomen heb, omdat ik 4 à 5 jaren door mijn inwoners verzocht ben, en welke ontvangst en ontmoeting ik nooit vergeten zal. Ik heb opdracht gegeven dat het vaandel dat mij ingehaald heeft geplaatst zal worden in het koor van mijn kerk, ter nagedachtenis van mijn intrede. Vanaf Schoorldam reden wij over Schoorl en Bergen naar Alkmaar, waar wij de nacht verbleven met onze dienstmeid.


Op zaterdag 31 juli, om 4 uur in de morgen, vertrokken wij uit Alkmaar. We passeerden Heiloo, Limmen (en twee andere dorpen die wij tijdens de eerste reis niet gereden hadden, genaamd Castricum en Noorddorp), de Wijk Velsen, Santpoort, Haarlem, Bennebroek en Hillegom, en kwamen zo op Sandvliet god dank, behouden en gezond thuis, waar alles in orde was.
Zie hier het voornaamste van onze afgelopen reis naar Warmenhuizen, welke ik op papier heb gesteld op verzoek van enige goede vrienden, die behoefte hadden om ons wedervaren schriftelijk te kunnen vernemen. Ik hoop dat de lezer dit verhaal met net zoveel plezier zal lezen als ik het zelf geschreven heb, immers, ik wens dat het hem niet verdrieten mag.

  1. De oude secretaris Adriaen Jansz Glas was tot 1705 secretaris van Warmenhuizen en overleed in 1707. Zijn opvolger in 1705 was Cornelis Coningh.
  2. Snaphaan is een soort geweer.
  3. Dit zal de katholieke priester zijn geweest, waarschijnlijk Henricus Hulshorst die van 1667 tot zijn overlijden 1713 pastoor was in Warmenhuizen.
  4. Van 1645 tot 1671 was Constanteyn Sohier de Vermandois Heer van Warmenhuizen, en zijn zoon Nicolaas was dat van 1671 tot 1691
  5. In de 17e eeuw was het verboden naar de katholieke kerk te gaan. een klopje was een vrouw die aanklopte bij adressen waar katholieken woonden om door te geven op welke geheime plaats een eredienst gehouden zou worden.
Geplaatst in Diversen | Een reactie plaatsen

Verslag van de inhuldiging van Adriana Constantia Sohier in Warmenhuizen.

Tijdens mijn speurtocht naar voorouders uit de Bommelerwaard kwam ik toevallig een verslag tegen over een bezoek van de Vrouwe van Warmenhuizen aan haar heerlijkheid in 1706. In 1691 was zij Vrouwe van Warmenhuizen geworden toen zij nog minderjarig was. Nadat zij rond 1700 meerderjarig was geworden, kwamen diverse verzoeken uit Warmenhuizen voor een bezoek. Haar verhaal over het bezoek dat uiteindelijk plaatsvond in 1706 is voor mij interessant omdat dit mijn geboortedorp in Noord-Holland is. Het is in mijn ogen een leuk verhaal door de Vrouwe zelf geschrevenen, en dus de moeite waard om te lezen, en ook om het hier te delen.
Hieronder de tekst van het verslag. In een volgende bijdrage zal ik nog een hertaling toevoegen die ik heb gemaakt en misschien wat beter leesbaar is voor de huidige generatie.

Relaes van onse Rijs na Warmenhuijsen gedaen in de maend van juli 1706.

Op den 22 juli 1706 smorgens ten vijf uren is juffr. Rietmolen met mij van Sandvliet afgereden met voornemen omme dien avond tot Alkmaer ons verblijf te houden en snags aldaer uijt te rusten.
Alvorens wij aldaer arriveerden hebben wij gepasseert de dorpen van Hillegom en Bennebroek, mitsgaders de stad Haerlem, de dorpen van de Santpoort en van Velsen, en plijsterden voor d’eerste rijse in de stede Beverwijk. Nadat wij aldaer drie a vier uren hadden uijtgerust, reeden wij vervolgens door de dorpen van Uijtgeest, Limmen en Hijloo, tot dat wij omtrent zeeven uren des avons tot Alkmaer aenquamen, daer wij ons logement namen in de voornaemste herberg genaemt den Toelast, alwaer alle fatsoendelijke luijden haer intrek nemen. Wij vonden aldaer onse keukemijd, die te gelijk met ons smorgens vertrocken was met onse bagage, met een schuijt van Haerlem op Alkmaer, die alle dagen afvaert.
Wij sonden smorgens ten drie uren de knegt uijt den Toelast met een paerd na Warmenhuijsen aen mijn Secretaris, om kennisse te geven van onse komste tot Alkmaer, dewelke aenstons een missive met de voors. knegt te rug sond, om ons bij provisie te verwelkomen daer bij voegende, dat de jonge secretaris met sijn huijsvrouw, ons tot Alkmaer soude komen opwagten, en haer dienst ons aenbieden. Smorgens ten zeeven uren, sijnde vrijdag den 23 juli, quam den jongen secretaris met sijn vrouw aen ons logement, die ons ten agt uren in onse kamer quamen begroeten. Na eenige verrigting tot Alkmaer gedaen te hebben, begaven wij ons ten elf uren wederom op rijs, gevolgt van de gemelte secretaris met sijn huijsvrouw, om direkt nae Warmenhuijsen te rijden. Wij passeerden de dorpen van Bergen, Schoorl en Schoorldam, welk laeste aen mij toebehoort, en naderden soo al aen Warmenhuijsen. Digt aen het dorp onder desselfs jurisdictie, sijn twee hekken, soo als wij het eerste passeerden, vraegde de luijden of ik de vrouwe van Warmenhuijsen was, ik antwoorde van ja. Daer op liepen die luijden voor af en schreeuwden luijt op, daer komt de vrouwe van Warmenhuijsen aen, laten wij haer verwelkomen. Het tweede hek doorgereden sijnde quamen wij in mijn vrije heerlijkhijd van Warmenhuijsen daer een ijder die in sijn huijs was uijt liep en met groot gejuijg uijt schreeuwden, weest welkom, weest gegroet, God wil u zegenen, wij hebben soo na u verlangt, wat sijn wij blijde U te sien, lang leeft de vrouwe van Warmenhuijsen etc., ja de meenigte van mensschen en haer bijsondere vreugde was waerdig om te beschouwen! Verschijden huijsluijden die in het land werkten, quamen aenlopen met sulken ijver om ons te sien, dat eenige in de slooten liepen door haer driftighijd. Desen hoop van mensschen verselden ons van het begin van de Heerlijkhijd tot aen het huijs van den ouwen secretaris, daer wij ons logement souden nemen. Sijn E. woond seer plesierig, voor sijn deur aen de gemeene weg is een groot blijkvelt, dat in de midden is afgeschijden met een proper hekje en een soet straetje daer men over gaet na sijn huijs. Ten eijnde het blijkvelt en dese straet, is een redelijke hooge brugge, onder dewelke de trekvaert passeert van Alkmaer op Warmenhuijsen, en op geheel Noordhollant, die men over gaet om in het huijs van de secretaris te komen. Op dit blijkvelt aen ijder sijde van het voors. hekje stonden de mensschen gerangeert, om ons te sien doorpasseeren na het huijs van mijn secretaris, alwaer bij na geen opening was om bij te komen, door de menigte van het volk. Den ouwen secretaris quam aen de koets om ons in te halen, die ons met een ongemeene liefde en eerbiet ontfing, en ons versogt in sijn huijs te treeden. Het is niet om uijt te drukken d’extraordinaire genegenthijd van alle d’inwoonders, die mij betuijgde boven maten verheugt te sijn over mijne komste verschijden mensschen kreeten van vreugt, enfin ’t was sonder ontroering niet aen te sien, haer teedere liefde en blijtschap. Wij traden dan eijndelijk in ’t huijs van de gemelde secretaris, omtrent twee uren des middags, die ons neffens sijn huijsvrouwe met singuliere teeekenen van vreugde ontfingen. Na dat wij het middagmael aldaer genoten hadden, sond mijn predikant met sijn huijsvrouwe om ons te komen salveeren, die wij acces gaven ten half ses uren. Sijn E. deed een destinge harangue behelsende in substantie: dat verblijf was het geluk te hebben van de regerende vrouwe van Warmenhuijsen neffens juffr. Rietmolen te mogen complimentere dat hij wenste dat haer Ed. nog lange jaren in voorspoet en alle bedenkelijke zegeningen haer vrije Heerlijkhijd mogt regeeren, tot sijne particuliere, en alle andere generale vreugde etc. Na dat sijn E. een uurtje geseten hadde nam sijn E. afschijt. Daer na quamen nog eenige goede vrinden en ouwe regenten van Warmenhuijsen ons mede verwelkomen waer mede den dag ten eijnde liep.
Den 24 juli saterdags deed ik smorgens mijn particuliere reekening wegens mijn domainen tot Warmenhuijsen, die anders jaerlijks aen mij gedaen wert door mijn secretaris die daer toe expres overkomt, maer dewijle ik selver tot Warmenhuijsen was, hadde ik genegenthijd om deselve aldaer op te nemen. Des nademiddags passeerden wij onse tijd met de luijden van den huijsen bestaende in de ouwe secretaris met sijn huijsvrouw, en in de jonge secretaris met sijn huijsvrouw, dewijle wij dien agtermiddag onse vrijhijd begeerden dat ik laten weten hadde door mijn bode, die alle morgen aen ons logement quam om onse bevelen af te halen en te agtervolgen. Omtrent zeeven uren gingen wij de kerk besien, die niet verder als agt a thien huijsen van de secretaris sijn huijs is. En dewijle geen expres gestoelte voor d’heer ofte vrouwe in de kerck gestelt is, lieten wij door mijn coster eenige banken regt voor de predikstoel op nemen, en aldaer brengen twee fluweele stoelen, daer wij sondags op sitten souden. Daer na besagen wij het regthuijs, scheepens en weesmeesters kamer en t school, beneffens het schoolmeesters huijs. Thuijs komende, sijde mij de secretar. dat eenige goede vrinden hem versogt hadden te willen onderstaen of wij des smorgens ofte des nademiddags in de kerk souden komen, dat de gemeente hoopte dat het des nademiddags soude wesen, terwijle de burgers van Crabbendam en Schoorldam, het welke bijde mede mijn heerlijkheden sijn, mede gaern in de kerk tot Warmenhuijsen souden komen om haer vrouwe voor d’eerste mael te sien. Wij sijden dat wij tot complaisance voor de gemeente, des nademiddags onse Godsdienst souden waernemen, al hoewel tegen onse ordinaire gewoonte, maer egter dat wij tot plesier van de inwoonders, ons gewoon gebruijck souden overstappen, het welke seer aengenaem bij een ijder wierd opgenomen.
Den 25 juli sondags ten een uur gingen wij na de kerck sonder koets, gevolgt van onse knegs bode etc. met een goet getal mensschen, die op ons uijtkomen hadden staen wagten. Men song een expres uijtgekosene psalm, te weten den 45 psalm voor de predikatie, dat men mij te voren gecommuniceert hadde of mij het selve gevallig was. d’Heer Hondius mijn predikant tot Warmenhuijsen deed een deftige leer reden, naer d’ijtlegginge van sijn text woorden alvorens sijn E. in de toepassinge trad begaf sig sijn E. om mij met een publicque zegen wensch te begroeten, en de gemeente vervolgens een aenspraek te doen, begrijpende in substantie, dat sijne sig bijsonder gelukkig agte de tegenwoordighijd van sijn regerende vrouwe tot sijn gehoor te mogen sien, dat sijn E. wenste, dat haer persoon en regeeringe lange jaren mogt gelukkig sijn, en gekroont werden met alle tijdelijke en geestelijke zegeningen etc. Sprak voorders tot de gemeente en sijde, burgers met regt en reden bemerke ik U.L. vreugde over de komste en intreede van U.L. vrije vrouwe binnen dese heerlijkhijd, d’eer en vrinschap die gij gereet sijt haer te bewijsen is seer billijk, dewijle gij veel aen haer Ed. verschuldigt sijt, ik wenssche dat God de Heer u lange het geluk late behouden van onder soo vreedsame regeeringe te leven, en U.L. herte en ziele altoos beweegt, om liefde en trouwe aen haer te bewijsen, gelijk gehoorsame onderdanen schuldig sijn etc. Na de predikatie song men het derde vers van den 72 psalm. In het uijtgaen van de kerk, stelde sig de gemeente in ordre om ons te laten doorgaen, door de middelste galderije van de kerck, sijnde aen weder sijden het volk geplaest, die mij in het doorpasseeren gesamen Gods zegen en lang leven met veel nadruk toewensten, en ons verselden tot aen het huijs van de secretaris daer wij logeerden. De meeste mensschen bleven staen voor het huijs, in verwagtinge van ons voor de deur ofte voor de venksters nog eens te sien, dat sij overluijt riepen en versogten. Wij hadden een goede quantitijt groote suijker amandelen van Alkmaer doen komen, om uijt te deelen aen de kinderen van Warmenhuijsen in ons weg rijden, maer dewijle op die tijd sig veele kinderen aldaer bevonden en wij gebeeden wierden nog eens voor de deur te komen, resolveerden wij deese suijker amandelen te stroijen onder het volk. ’t was groot plesier om te aenschouwen de vreugde van haer alle, die te samen soo ouwt als jong, ja selfs mannen met grijse haijren, even graag na dese suijker tasten, seggende soo veel in haer schik te sijn met dese onverwagte soetighijd, als met de suijker selve. Dit divertissement duurde omtrent een quartier uurs, als wanneer wij ons wederom in huijs retireerden, onder het toeroepen van ontelbare dankseggingen. Alvorens ik over ga tot verdere solemnitijten, moet ik in passant een woort seggen van de kerk tot Warmenhuijsen. Deselve is seer groot en deftig, sij heeft een groote galderij, rond om de banken op die wijs als de groote kerk in S.Hage, en in de midden van de banken nog een groote passage ofte galderije die aen weder sijden ses sware pijlaren heeft, waer uijt men regt toe gaet tot het choor, dat mooij groot is, en seer curieus geschildert is, verbeeldende verschijden historien uijt het ouwe testament. Dese kerk is omtrent soo groot als de cloosterkerk in S.Hage, en heeft drie brave klocken, boven in de toorn, die dagelijks getrocken worden, als er imant komt te sterven, het welk een groot ornament is voor een dorp, dewijle nergens of seldsaem een kerk gevonden wort, daer meer als eene klok op staet. Nu wederom komende tot ons logement, sijnde sondags nademiddags ten vier uren, quam de bode uijt naem van de regenten vragen, of die het geluk mogten hebben om ons te verwelkomen, ik beschijden haer ten vijf uren. Daer op volgden twee burgermeestern, agt scheepenen, baljuw, schout en secretaris, sijnde dese personen de presente regenten, d’ouwe vroedschappen hadden d’een na d’ander haer pligt al afgelegt. D’ouwste burgermeester in den naem van het gansche collegie addresserde sig aen mij, voerende de volgende aenspraek in substantie: De regenten van U.E. vrije heerlijkhijd agten haer seer gelukkig, van haer vrije vrouwe te mogen salveeren, sij betuijgen met veel ernst, dat sij lange na die eer gehaekt hebben, en dewijle sij jegenwoordig haer verlangen vervult sien, kunnen sij niet nalaten haer vreugde daer over uijt te drukken, sij wenssen haer vrouwe een langdurige en gezegende regeeringe en alle bedenkelijke voorspoet na ziel en lichaem. Sij drongen stark aen om ons des anderen daegs te mogen tracteeren, dog ik bedankte haer hartelijk, en sij de Eerwaarde mannen, het is mij lief U.L. genegenthijd te verstaen, ik neme soo veel genoegen in U.L. noding, als of ik deselve genoten hadde, maer dese mael ben ik gekomen om mijn burgers en inwoonders te onthalen, een ander mael als ik wederom kome, sal ik ront om U.L. besoeken, onder protestatie lieten sij haer geseggen, en gaven haer woord om ’s anderen daegs mijn gast te wesen. De regenten namen haer afschijt, en wij gingen bij mijn predikant ten ses uren, die ons versogt hadde aen sijn huijs op een kopje thee, dewijle wij gewijgert hadden bij hem te eeten, om dat wij nergens gaen wilden, alsoo wij het aen de regenten gewijgert hadden. Den selven woond op het kerk hof aen de gemeene weg, alwaer een schoone breete is. Ten ses uren begonnen de drie klocken te luijden, de trommel te slaen, en al de burgers quamen in de wapenen, die gesamentlijk agter het vaendel (dat seer kostelijk is) en agter de trommel slager in rijen volgden, onder soo een toeloop van mensschen gelijk men sag op de victorie dag van Hogstet. Dit is nu de ceremonie die ik aen de burgers gepermitteert hadde sondags avons ten ses uren, het welke verstrecken soude voor mijn inhaling, want ik hadde niet begeert, dat men schieten soude als ik in de heerlijkhijd quam rijden, en daerom hadde ik dese vreugde toegestaen des sondags avons. Daer begonnen de salvoos voor onse vensters tot verschijden malen toe, ijder dede sijn best, de klocken met luijden, de trommel met slaen, het vaendel met swieren, en de burgers met schieten. Dit duurde tot agt uren, als wanneer de burgers lieten vragen, of sij d’eer mogten hebben van ons thuijs te brengen, dat wij haer accordeerden, onder conditie dat sij niet schieten soude, hier op gingen wij van den domene af die ons thuijs bragte, het vaendel swierde boven ons hooft, de trommel stil swijgende agter aen, en vervolgens de burgers twee aen twee de snaphaen op de schouder. Voor onse deur komende keerde ik mij om, en bedankte de brave burgerije, voor d’eer die sij mij hadden aengedaen van mij soo deftig in te halen en te verwelkomen, sijde vervolgens, burgers gaet U.L. nu vrolijk maecken op mijn gesonthijd met een glas goet bier, dat ik voor U.L. besorgt hebbe, het welke sij met veel plesier aennamen, mij bedankende voor d’eere van mijn presentie. Dese vreugde van de burgers duurde den ganschen nagt, en sij maekten sig lustig vrolijk en haelden onse dienstboden, om het nagje door te brengen.
Den 26 juli smaendags ten twee uren quamen de genodigde regenten neffens de predikant bij ons het middag mael houden, waer bij ik ook genodigt hadde verschijden vroedschappen, sulks dat wij saten aen een lange taefel met omtrent dertig personen. De gasten waren lustig vrolijk en dronken alle soorten van conditien, die ons maer eenigsins aengenaem kosten wesen. Ik sat onder een schoone vercierde kroon van maegde palm, seer net opgemaekt met gout en silvere bloemen, die de jonge dogters van de principaelste mij vereert hadden om boven mijn hooft te hangen, soo lange als mijn verblijf aldaer soude wesen, die ik ook mede genomen hebbe herrewaerts. Aen de taeffel sittende, vroeg den domene mij permissie om een gedigt te mogen lesen, gestelt uijt de naem van de burgerije, ik gaf hem vrijhijd en het selve gedigt wierd overluijt gelesen, het welke naderhand gedrukt is, en hier neffens gaet. Ten ses uren wierd mij gebootschapt, dat een bediende van de priester, die in mijn jurisdictie dienst doet mij versogt te spreeken, ik hoorde hem en de bootschap was, dat de gemelte priester ootmoedig liet versoeken d’eere te hebben van sijn respect mij te komen betuijgen, ik antwoorde dat sijn intentie mij wel gevallig was en dat ik sijn pligt voor de daed opnam, maer dat ik wat beset was in mijn tijd, en s avons om thien uren wat soude gaen wandelen, en hem dan eens aenspreeken, ik wijgerde sijn visite aen mijn huijs te ontfangen, om dat de mensschen aldaer seer eenvoudig en serieus sijn, en dat ik haer geen reden van ergernis wilde geven. Wij gingen dan omtrent thien uren, verselt met de twee secretarissen, na het huijs van den voors. priester, die ons seer beleeft inhaelde en ontfing, en mij betuijgde met extraordinaire expressien, hoe blijde dat hij was in sijn hoge jaren, het geluk te hebben van mij te sien. Hij versogt de continuatie van mijn protextie om in sijn dienst te mogen volherden, seggende dat mij heer groot vader en vader hem al vrijhijd hadden gegeven, en nu bij mij die ook vergunt wierd waer voor hij mij speciael bedankte, mij vervolgens met alle ernst versoekende, dat sijn gemeente na sijn dood, terwijle hij een man van zeeventig jaren was, ook deselve vrijhijd mogten behouden, ik sijde dat ik wel voldaen was van de goede ordre die hij hield onder de papisten, en ingevalle sijn successeurs d’ijgen conduiten hadden, dat ik als dan haer niet soude verhinderen, dewijle ik verseekert was, dat God de Heer in alle religien de sijne had. Wij vonden daer een nette gedekte taeffel wel toeberijd met spijse, daer wij omtrent een uurtje onse tijd mede verspilden. De paepse kerk die digt aen sijn huijs was, was net in ordre om ons te laten sien, wij bevonden deselve heel proper en redelijk groot, deselve was verciert met drie autaren naest malkanderen, op dewelke stonden sesthien wasse kaerssen, soo lang als Hambeauwen, die ter eeren van onse komste aengestooken waren, dat seer deftig verbeelde. De autaren waren voorders heel kostelijk van verschijden goude silvere en christalijne ornamenten, dat waerlijk soo curieus stond dat het waerd was om te sien. Sondags had den priester een extraordinair musiek gehad, ter eeren van mijn overkomste. Daer waren vier klopjes die op de kerk pasten, die ons deselve neffens de priester lieten sien. Sainte Urssele met haer elf duijsent maegden is de patronesse van dese kerk.
Wij gingen ten twaelf uren wederom na huijs, naer dat ons de meergemelte priester hadde toegewenst, alle geestelijke en lighamelijke zegeningen. Den 27 juli dingsdags hadden wij versogt ten eeten de regenten haer vrouwen den domene sijn huijsvrouw, mitsgaders de jonge dogters die mij de kroon vereert hadden. Sij waren alle lustig vrolijk en de jonge luijden songen verschijde soete liedekens, die sij expres gemaekt hadden op mijn eerste komste en intreede in mijn heerlijkhijd. Sij namen veel plesier in onse kleeding, die sij noijt soo pragtig gesien hadden, want wij waren daegelijks in soo een ordre gelijk of wij ter bruijloft souden gaen, sij namen haer afschijt en wensten ons alles goets.
Den 28 juli swoensdags, gingen wij varen door mijn jurisdictie na Crabbendam, daer ik mede met veel plesier wierd ingehaeld, onder het lossen van de burgers haer geweer, die alle uijtliepen, gelijk of men koning Carel de derde soude sien, en over al uijt riepen, weest welkom, den hemel zegene onse vrouwe etc. Na dat wij ront om vaerden en een ijder goeden dag toe wensten, keerden wij wederom te rug, en voeren Warmenhuijsen over al door daer wij omtrent drie uren werk toe hadden, dewijle de jurisdictie ruijm twaelf hondert morgen groot is. Wij hadden ook tot Crabbendam mede genomen een mandetje met suijker amandelen, dat wij van het begin van de huijsen tot aen het eijnde toe gooijden, dat met veel plesier aengenomen wierd.
Den 29 juli donderdags, hadden wij nog veel besoek van verschijden particuliere vrinden van het huijs van Warmenhuijsen, waer onder eenige waren, die fraije gedigten op mijn komste hadden gemaekt. Voorders namen wij plesier om met de mensschen van den huijse wat te praten, dewijle wij dagelijks daer in verhindert waren, door de menigte van besoek.
Den 30 juli vrijdags, resolveerden wij om te vertrekken, al hoewel met veel regret, dewijle wij met veel genoegen onse tijd tot Warmenhuijsen hadden doorgebragt. De secretaris solliciteerde seer stark, met nog veele andere goede vrinden, om ons vertrek te verschuijven tot de volgende week, maer alsoo wij thuijs mosten wesen, stelden wij onse rijse voor vast des nademiddags ten vijf uren. Wij waren wederom voor sien met een goede doos met suijker amandelen, om de kinderen toe te goijen, als wij door het dorp wegreden. Na dat wij ons afschijt genomen hadden van de secretarissen met hare huijsvrouwen, die seer bitter weenden (want sij ons seer lief hebben) stapten wij in de koets. Hier was wederom de straet vol menschen, die alle mij toewensten eene gelukkige rijse en alle heijl en zegen, mitsgaders een lang leven etc. ’t welke al krijtende wegens ons vertrek g’euijttet wierd. Wij gooijden braef suijker ront om, en vertrocken uijt mijn dorp met soetighijd. Wij reden wederom door Schoorldam, daer al het volk op de been was, en ijder mij versogt in haer huijs te komen, terwijle sij noijt haer vrouwe gesien hadde, dog om dat wij ’s avons tot Alkmaer mosten wesen hadden wij geen tijd om ergens aen te gaen. Daer stonden twee vrouwen die ijder een brave Roemer wijn gereet hadden, seer net vercierd met groente, die sij mij presenteerden. Ik nam deselve met genegenthijd aen en bedankte haer. Sij wenste mij gesamentlijk, als sijnde haer regeerende vrouwe, alle heijl en zegen en een gelukkige rijse, daer bij voegende, dat sij mij hoopten op een nader jaer wederom te sien, gelijk de burgers van Warmenhuijsen mede betuijgden.
Het soude mij ommogelijk sijn niet tegenstaende dat dit relaes seer groot is te vertellen alle de goethartigheden, soetigheden, eer, liefde en vrintschap, die mij bewesen is van mijn inwoonders tot Warmenhuijsen, Crabbendam en Schoorldam, ik wenste maer alleen dat die gene die van mijn goede vrinden sijn, het alle hadden bijgewoond. Altoos ik ben voldaen bij mij selver, dat ik dese rijse eijndelijk ondernomen hebbe, daer ik vier a vijf jaren van mijn inwoonders toe gebeden ben, en welkers ontfang en ontmoetinge ik noijt vergeten sal. Ik hebbe g’ordonneert dat het vaendel dat mij ingehaeld heeft, geplaest sal worden in het choor van mijn kerk, ter gedagtenisse van mijn intreede. Van Schoorldam reden wij over Schoorl en Bergen op Alkmaer, daer wij des nags overbleeven en onse dienstmaegt vonden.
Den 31 juli saterdags smorgens ten vier uren vertrokken wij van Alkmaer, passeerden de dorpen van Hijloo, Limmen (en twee andere dorpen die wij d’eerste rijse niet gereeden hadden om beeter wegs wille, genaemt Castricum en Noorddorp) de Wijk Velsen en de Santpoort, de stad van Haerlem, de dorpen van Bennebroek en Hillegom en quamen alsoo op Sandvliet god dank, behouden en gesont thuijs, daer wij alles wel vonden.
Siet hier het voornaemste van het gepasseerde op onse rijse na Warmenhuijsen, het welke ik hebbe op het papier gestelt, ten versoeke van eenige goede vrinden, die begeerig sijn geweest ons wedervaren schriftelijk te verstaen. Ik hope dat den leeser dit relaes met soo veel plesier sal leesen, als ik het selve geschreeven hebbe, immers ik wenssche dat het den selven niet verdrieten magh.

Bron: Gelders Archief, 439 Huizen Waardenburg en Neerijnen, inventarisnummer 532 Relaas betreffende de inhuldiging te Warmenhuizen van Adriana Constantia Sohier.

Link naar het archief: https://permalink.geldersarchief.nl/1315D3359E344309ABAB8E3C9F45EC2C

Geplaatst in Diversen | Een reactie plaatsen

Een ongehuwde moeder in de 18e eeuw

Tijdens het onderzoek in de archieven kwam ik stukken tegen over Neeltje Claas Baij die mijn aandacht trokken. Op basis van deze stukken heb ik onderstaand waargebeurde verhaal samengesteld.

Neeltje woonde rond 1740 in Nieuwe Niedorp, een dorpje in Noord-Holland met in die tijd 235 huizen. Zij woonde daar als ‘dienstmaagt’ in bij Cornelis Pietersz Molenaar.
In het voorjaar van het jaar 1743 was Neeltje in verwachting van een kind. Toen de bevalling aanstaande was zij ze tegen haar baas Cornelis dat het op kramen uit zou komen, en vroeg hem om de vroedvrouw te halen. Cornelis had dit echter niet gedaan en had haar met pijn in ‘barendsnood’ achtergelaten zonder naar haar om te zien.
Zonder hulp van een vroedvrouw of iemand anders, beviel Neeltje van een dochter op 14 april 1743 omstreeks elf uur in de ochtend. Neeltje beleefde angstige momenten, en zij en haar kind waren in levensgevaar.
Ongeveer twee uur na de bevalling kwamen drie vrouwen, Maartje Gerrits, Neeltje Gerrits en Neeltje Jacobs Baarts aan in het huis van Cornelis Pietersz Molenaar. Zij vonden daar de dienstmeid Neeltje Claas in een droevige en jammerlijke toestand in bed, verlost van een kind. Neeltje vertelde haar verhaal aan de drie vrouwen. Gedurende die twee uur was ze nog niet gereinigd en ‘gebakerd’.
Een van de vrouwen riep vervolgens de hulp in van Aaltje Pieters. Deze zei dat zij niet eerder zou beginnen voordat Neeltje gezegd had wie de vader was. Doodsbenauwd zei Neeltje in het bijzijn van Cornelis dat niemand anders de vader van het kind was dan Cornelis Molenaar. Aaltje Pieters zei toen tegen Cornelis: ‘hoor jij ’t wel Krelis, de maijt zeid dat jij de vader van ’t kind ben, en niemand anders’, waarop Molenaar reageerde met ‘zij ken zoo veel zeggen, dat kan ik niet helpen wat zij zeijd’
Toen de kraamvrouw vervolgens aan het reinigen en bakeren was probeerde Gerrit, de zoon van Cornelis Molenaar, te voorkomen dat dit in het huis van zijn vader gebeurde. Volgens de vrouwen gedroeg hij zich onmenselijk en stelde zich enorm aan, schopte de boter om die op het vuur stond te smelten om het kind te reinigen. Hij zei daarbij dat hij ‘dat donderse hoerekind’ het huis zou uitjagen. Hij schopte daarna zeer boosaardig naar Aaltje Pieters die daardoor op Neeltje Gerrits viel die het kind op schoot had. Neeltje kon nog net voorkomen dat dit de dood van het kind zou betekenen. Gerrit vloekte en uitte bedreigingen richting kraamvrouw en kind. Zijn vader liet dit onbestraft doorgaan. De aanwezige vrouwen zagen in dat het kind daar alleen met uiterst gevaar voor leven gebakerd kon worden, en besloten naar het huis van Neeltje Gerrits te gaan. Daar kon het kind uiteindelijk, drie uur na de geboorte en blauw van de kou, gebakerd worden.
De vrouwen gingen vervolgens weer naar het huis van Cornelis om het kind weer bij de moeder te brengen. Ze kwamen meteen Gerrit weer tegen die zei ‘scheer jij jou met dat donderse hoerekind de deur uijt, ik sel een mes halen’. Hij haalde een mes en uitte allerlei bedreigingen waar de vrouwen enorm van schrokken. Aaltje Pieters die het kind op de arm had zei echter tegen Gerrit dat zij van zijn mes en vloeken niet bang was. Zij zei tegen de andere vrouwen ‘kom volg mij’ en ze gingen naar binnen. Zij brachten het kind eerst bij de haard om op te warmen om het vervolgens aan de moeder te geven. Dit ging niet zonder moeite omdat Gerrit probeerde het kind af te pakken wat echter mislukte.
Diezelfde dag gingen Trijntje Reijers en Aaltje Langereijs naar het het huis van Cornelis Molenaar. Zij hadden namelijk gehoord dat Neeltje Baij een kind had gekregen, en het kind vanwege de religie van de moeder, zo spoedig mogelijk gedoopt moest worden. Na diverse woordenwisselingen hadden ze aan Neeltje gevraagd of zij wou dat het kind gedoopt zou worden. Neeltje zei ja en vroeg of zij dit wilden verzorgen. Vervolgens namen Trijntje en Aaltje het kind om bij de haard te verbakeren. Zij gaven het kind wat extra kleding omdat het al veel geleden had en wel een uur door de buitenlucht moest worden gedragen. Toen Trijntje Reijers bezig was, zette Gerrit na wat boosaardige scheldwoorden zijn voet op het kind alsof hij het wou doodtrappen, en als Trijntje dit niet belet had was dat misschien ook wel gebeurd. Toen ze vervolgens met het kind bij de moeder kwamen vroegen zij haar wat zij de priester moesten zeggen wie de vader van het kind was. Neeltje zei dat ze de waarheid moesten zeggen, maar draaide er ook nogal omheen. Trijntje en Aaltje zeiden toen dat als Neeltje de waarheid niet zou zeggen ze het kind niet zouden laten dopen. Neeltje zei vervolgens ronduit dat niemand anders de vader van haar kind was dan haar baas Cornelis Molenaar.
In het Rooms-Katholieke doopboek van ’t Velt staat de doop op 14 april 1743 ingeschreven. Het kind werd met de naam Gertrudis gedoopt (illigitima). De vader ‘dictus’ Cornelis en de moeder Neeltje Claas. Als getuige werd genoemd Aaltje Piters Limmerschouw.
Trijntje Reijers, Aaltje Langereijs en Aaltje Pieters vroegen op een gegeven moment aan Neeltje hoe zij zich zo had kunnen laten gebruiken door haar baas, en of het vaker gebeurd was. Neeltje zei dat haar baas altijd met veel malligheid bij haar kwam, en dat hij haar dan weer op de ene manier en dan weer op de andere manier probeerde te verleiden. Nadat zij haar uiteindelijk had laten overhalen is het vervolgens vaker gebeurd.
Op 8 mei gingen de vrouwen op verzoek van Neeltje naar de notaris om hun verhaal vast te laten leggen. Op 14 juni gebeurde dit opnieuw bij dezelfde notaris, dit keer op verzoek van de Hoofdofficier van de Niedorper Cogge. Bij deze laatste verklaring zei Aaltje Langereijs dat zij wel gezien had dat Gerrit naar het kind trapte, maar niet dat hij het kind ook geraakt had. Maartje Gerrits en Aaltje Pieters verklaarden nu dat zij tijdens de dagen dat zij aan het verbedden en verschonen waren hoorden dat Gerrit en zijn broer Luijtje zeiden dat zij van de schout en schepenen ‘de donder hadde, die land opvreeters’ en meer van dat soort laster.
Op 29 juli startte Neeltje een rechtszaak tegen Cornelis. Zij had na een verzoek daartoe toestemming gekregen om gratis te procederen. Dit in verband met haar droevige en armelijke toestand. Haar eis was dat Cornelis met haar zou trouwen, en als hij dat niet wou een bedrag van 336 gulden moest betalen en 2 gulden alimentatie per week voor het kind. Het bedrag van 336 gulden bestond uit 300 gulden voor verlies van haar eer en 36 gulden voor de kraamkosten. Neeltje verklaarde dat zij een eerbare vrijster was en bij Cornelis inwoonde als ‘dienstmaagt’. Cornelis had vele malen geprobeerd haar te verleiden, en Neeltje had de zwakheid gehad om aan zijn verleidende taal gehoor te geven. Cornelis ontkende alles.
Voordat verder geprocedeerd zou worden werd Cornelis alvast veroordeeld tot twee gulden alimentatie per week. Cornelis verklaarde op 5 augustus dat hij tegen deze uitspraak in hoger beroep wou gaan bij het Hof van Holland.
Er verliep enige tijd, en Cornelis ging waarschijnlijk toch niet in hoger beroep. Bij de plaatselijke rechtbank werd vervolgens verder geprocedeerd. Op 7 oktober verklaarde de advocaat van Cornelis dat de kwestie van de alimentatie kon vervallen omdat het kind inmiddels overleden was. Hij vond dat Neeltje meteen moest aangeven of zij haar ongefundeerde proces door wou zetten.
Op 18 november stond de zaak voor het laatst op de rol. De advocaat van Cornelis noemde het valse beschuldigingen van Neeltje, en in tegenstelling tot alle waarheid.

Neeltje trouwde op 11 december 1743 met Casper Jansz. Zij kregen in de jaren daarna nog zeker zes kinderen.

De in dit verhaal genoemde Trijntje Reijers is vermoedelijk de zus van mijn voorouder Jan Reijersz Molenaar.
Cornelis was hoogstwaarschijnlijk geen familie. In 1764 waren Cornelis, zijn vrouw Jantje Volkerts, zijn zonen Gerrit en Luijtje en zijn dochter Trijntje niet meer in leven.
Hun erfgenamen op dat moment waren Grietje Cornelis Molenaar, wonende te Nieuwe Niedorp, geassisteerd met haar oom Klaas Pietersz Molenaar, wonende te Venhuizen, en Pieter Cornelisz Molenaar, wonende te Midwoud, geassisteerd met hun neef Klaas Hendriksz Molenaar.

Bronnen
Oud Notarieel Archief Nieuwe Niedorp, inventarisnummer 3907 d.d. 8 mei en 14 juni 1743
Oud Notarieel Archief Nieuwe Niedorp, inv. 3911 d.d. 21 april 1764, notaris Jan van der Beets
Oud Rechterlijk Archief Niedorp, inventarisnummer 5672 (schepenrol)
R.K. doopboek ’t Velt (DTB Nieuwe Niedorp)
De stadt Alkmaer met haare dorpen (Gijsbert Boomkamp 1740)

Geplaatst in Diversen | 1 reactie

Oldenburg en van der Meulen

De technische omzetting van mijn website heb ik eind oktober afgerond. Het staat nu (een enkele pagina uitgezonderd) in doctype xhtml 1.0 strict, dat is zeg maar het soort html waarin ik het geschreven heb.

Voorafgaand aan die omzetting had ik de familie van der Meulen (ook Vermeulen) aardig kunnen aanvullen. Dit betrof onderstaande voorouders en hun gezinnen:

  • 0508 Paulus Jansse van der Meulen en 0509 Lamberdien Gerrits van den Bergh
  • 1016 Joannes Thijssen van der Meulen en 1017 Maria Petri Verhoeven
  • 2032 Matthijs Peters van der Meulen en 2033 Meriken Paulus Rutten

Alle informatie van deze familie’s uit Schijndel heb ik op internet kunnen vinden, dus dat ging redelijk gemakkelijk.

In Noord-Holland (Regionaal Archief Alkmaar) ben ik momenteel de registers van transporten en hypotheken van Bergen aan het doornemen. Een hele klus, want ik neem ze akte voor akte door, op zoek naar voorouders. Het zijn dikke oude boeken met een rijke bron van informatie die al in het jaar 1612 begint. Het is met name de familie Oldenburg die ik hierin vindt. Eind 18e eeuw werden mijn voorouders naast Oldenburg ook Schotvanger genoemd. De reden heb ik inmiddels gevonden. Verre voorouder Adriaan Pietersz Oldenburch die in 1657 overleed, was in zijn leven in Bergen schotvanger van beroep geweest. Zijn vader was vermoedelijk Pieter Adriaansz Oldenburch. Meer duidelijkheid hierover hoop ik te vinden in de transportregisters van 1612 tot 1650, want die periode heb ik nog niet doorzocht. In het notarieel archief van Alkmaar werd in ieder geval in 1616 een Griet Jans genoemd die weduwe was van Pieter Adriaansz Oldenburch. Zij woonde in Bergen en ging hertrouwen.

Geplaatst in Diversen | Een reactie plaatsen

Het maken van een website

Vandaag heb ik dit weblog verhuisd naar WordPress, wat meteen een aanleiding is om wat te schrijven.

Mijn eigen website (www.molenaardigheden.nl) ben ik op dit moment geheel aan het herschrijven. Van 2007 tot nu heb ik FrontPage gebruikt als html-editor, maar ik heb nu besloten om zelf de html via het kladblok te schrijven. Een groot deel kan gelukkig via kopiëren/plakken, maar het blijft een hele klus. Het stamboomonderzoek staat nu dus op een laag pitje, hoewel ik met de tak Oldenburg uit Bergen flinke vorderingen heb gemaakt tot rond 1600.

Omstreeks 2000 toen ik een modem kreeg, en dus verbinding met het internet, kreeg ik al eens het idee om een site te maken. Het zelf leren van html en weinig tijd hielden me toen tegen. Omdat ik nu een nieuwe versie van Office heb gekocht waar FrontPage niet meer op staat, was dat een goede aanleiding om naar iets anders uit te kijken. Ik heb nu toch maar wat html geleerd, en het valt erg mee.

Het herschrijven van de bestaande webpagina’s doe ik omdat FrontPage veel overbodige opmaakcodes heeft toegevoegd. Door dit er uit te halen wordt de laadtijd van de pagina’s mogelijk versneld, en kunnen andere browsers dan IE misschien ook beter met mijn site omgaan (hoewel ik nooit met een andere browser naar mijn site heb gekeken).

Mijn site zal de komende tijd dus in een overgangsfase zitten. De pagina’s die ik al vernieuwd heb zien er iets anders uit dan de oude pagina’s qua uiterlijk.

Geplaatst in Site (update) | Een reactie plaatsen

Omvangrijke aanvulling

Vorige week heb ik een vrij omvangrijke aanvulling op mijn website gezet. Dit kwam doordat ik mijn kwartierstaat iets anders heb opgezet.

Ten eerste heb ik de layout van de kwartierstaat iets aangepast. De gegevens staan nu in tabellen, en i.p.v. een aanklikbare knop met de tekst ‘Toelichting’ heb ik gewoon de namen van mijn voorouders aanklikbaar gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat ik nu niet meer over ‘toelichting’ spreek, maar van gezin, gezinsblad of gezinspagina.

Verder heb ik alleen bij de eerste zeven generaties (t/m nr. 127) de geboorte-, huwelijks- en overlijdensgegevens laten staan. Daarna staan alleen nog de namen in mijn kwartierstaat om de pagina niet te groot te laten worden. De verdere informatie is verhuisd naar het gezinsblad dat bereikbaar is door op de naam van de man in de kwartierstaat te klikken. Tussen de gezinsbladen onderling kan nu ook vaak direct geklikt worden naar ouders of kind van het echtpaar.

 

Gevolg van deze aanpassingen is wel dat ik een behoorlijk aantal gezinsbladen reeds eerder moest plaatsen dan mijn bedoeling was. Deze gezinsbladen bevatten de gegevens die ik tot nu toe gevonden heb, maar mogelijk nog makkelijk aangevuld kunnen worden. Zodra ik tijd heb zal ik deze gezinsbladen proberen aan te vullen.

Sommige gezinsbladen heb ik nog niet geplaatst. Hier is in enkele gevallen dus informatie weggevallen die ik eerst op mijn site had staan in de kwartierstaat. In de toekomst zal ik deze informatie vermoedelijk weer terugplaatsen in de vorm van een gezinsblad. Ik wil dan eerst wat aanvullende informatie zoeken om het de moeite waard te laten zijn.

 

De nieuw toegevoegde gezinsbladen zijn:

0028 Johannes Brok & Antonia Pijnenburg

0056 Hendrik Cornelisz Brok & Wilhelmina van der Sanden

0112 Cornelis Hendriksz Brock & Dijmphna van Geirtsbergen

0118 Laurent van der Sanden & Sophie Muskens

0120 Jacobus van der Aa & Cornelia van der Meijden

0126 Jan de Kort & Johanna Maria van der Meulen

0140 Jacob Maartensz Schee & Antje Cornelis Vlaar

0144 Cornelis Cornelisz Mul & Geertje Pieters Beers

0150 Gerrit Aarjensz Kruijff & Trijntje Ariens Brammer

0166 Ijsbrant Florisz Welboren & Maartje Arends van de Beek

0174 Hendrik Dirksz Starken & Aagje Jans de Moole

0194 Petrus Cornelisse Stock & Sophia Jansse Daenen

0198 Jacobus Cornelisse Verburght & Catharina Aertsen van de Velde

0200 Norbertus Hendrick Willemse & Catharina Joannis Boeren

0202 Jan Jansz Grauwen & Petronella Janse Stoops

0206 Marijnus Peeters van Hees & Elisabeth van der Mast

0216 Henricus Baten & Joanna Jansen Heijnen

0218 Petrus Dingeman Buijsen & Joanna Janssen Smout

0220 Hendrick Antonij Geers & Digna Adriaense Hagens

0222 Joannes Linderse Moutens & Maria Adriaense Stadthouders

0226 Waltherus Joannes van Giersbergen & Lucia Seger van de Wiel

0228 Cornelis Thomas Janse van Hulten & Petronella Ariens Bosmans

0230 Jan Gijsbert van der Boom & Hendrina Willem van Broekhoven

0238 Adrianus Cornelisse Muskens (Muscus) & Helena Cornelisse Eijsendoren

0244 Thomas Joannes Klompers & Barbara Joannes Leijtens

0252 Josephus Johannes de Kort & Elisabeth Antonius van Oirschot

0254 Pieter Paulus Vermeulen & Helena van der Vorst

0258 Cornelis Cornelisz Cramer & Trijn Jans

0280 Maarten Cornelisz Schee & Guurtje Jans Krijgsman

0302 Arien Dirksz Brammer & Maartje Pieters

0332 Floris Ijsbrantsz Welboren & Aagje Louris

0404 Joannes Marten Grauwen & Adriana Cornelis Voeten

0406 Joannes Peeter Stoops & Johanna Peeter Gijben

0414 Jacob Adriaensse van der Mast & Catharina Jacob Bastiaensen

0432 Michael Matthijssen Baten & Anna Lindertsen Ruijten

0442 Adrianus Janssen Haagens & Maria Jacobsen van der Beek

0444 Leonardus Antoni Moutens & Adriana Corneli (van) Tilborgh

0504 Johannes Antonius de Kort & Maria Andreas Schuermans

0506 Antoni Petri van Oirschot & Henrica Joannes de Metser alias van Eijck

5314 Arent Gijsbertsz & Reijnste Pieters

 

Eerder (update van 21 maart en 6 april 2010) had ik onderstaande gezinsbladen al toegevoegd:

0098 Johannes van den Broek & Johanna Verburgt

0100 Hendricus Norbertus Willemse & Maria Joannes Grauwen

0102 Johannes Dekkers & Petronella van Hees

0108 Johannes Baten & Jacomijna Buijsen

0110 Antonius Geerts & Adriana Moutens

0114 Johannes Cornelis van Hulten & Wilhelma Johannes Boom

0116 Gerrit Gerritsz Pijnenborg & Catharina van Drunen

 

Verder heb ik de genealogie van de familie Molenaar ook aardig kunnen aanvullen. Ooit, in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, had ik de Texelse tak al eens deels uitgezocht. Ik heb het toen niet afgemaakt omdat het niet mijn prioriteit had, en het nogal moeizaam ging. Elke keer als ik een nieuwe microfilm in het apparaat wou doen, moest ik een kwartje inwerpen. Dat was in het Noordhollands Archief (toen Rijksarchief Noord-Holland) in Haarlem. Ik loop de laatste tijd wel met het idee om daar weer eens naar toe te gaan. Wat Texel betreft heb ik nu echter een alternatief. De afbeeldingen van de aktes uit de burgerlijke stand tot 1882 staan op internet, op de site Familysearch.org. Het is voornamelijk deze bron die ik nu gebruikt heb voor de aanvulling van de genealogie Molenaar.

Geplaatst in Site (update) | Een reactie plaatsen

Jan van den Broek

Ik zie dat ik al weer ruim 3 maanden niets heb geschreven in dit weblog. Na een winter met veel sneeuw beginnen de eerste tekenen van het voorjaar 2010 merkbaar te worden.
Met mijn stamboomonderzoek heb ik echter niet stilgezeten. Met name aan de kwartierstaat voeg ik af en toe wat toe. Voordat ik wat aan mijn website toevoeg loop ik eerst de bestaande gegevens nog eens na en ga ik op zoek naar aanvullingen. De afgelopen week ben ik bezig geweest met 0098 Jan van den Broek en zijn vrouw Joanna Verburght. Op de site van het archief in Bergen op Zoom (Markiezenhof) staan inmiddels ook scans van rechterlijke en notariële archieven. Geen reis naar Noord-Brabant dus nodig hiervoor.
Het overlijden van een Jan van den Broek had ik al eerder gevonden (28 november 1765 in Steenbergen). Ik wist alleen nog niet zeker of dit geen andere Jan van den Broek was. Afgelopen week dus in het weeskamerarchief gekeken van Steenbergen, en met succes. Een briefje met de waardering van zijn nalatenschap en een verklaring van Joanna over de erfenis en het grootbrengen van haar kinderen. Hij was eind november 1765 overleden, dus dat klopte. De plaats van overlijden was fort Henricus, en hij liet drie kinderen na die 12, 8 en 5 jaar oud waren. Materieel liet hij niet veel na, het was een "gering boedeltje" ter waarde van 20 gulden. Zoals zo vaak met mijn stamboomonderzoek levert het vinden van informatie ook meteen weer nieuwe vragen op. Zou hij, gezien de plaats van overlijden, militair zijn geweest? Joanna hertrouwde in 1769.
Binnenkort zet ik dit waarschijnlijk op mijn site via een toelichting op de kwartierstaat.
 
Wat ik de afgelopen tijd heb toegevoegd staat hieronder:
De structuur van de bronvermeldingen heb ik iets aangepast, met een splitsing naar bronvermeldingen kwartierstaat en bronvermeldingen genealogie. Van een aantal aktes heb ik de transcripties geplaatst.
Nieuw gevonden voorouders die ik in de kwartierstaat heb geplaatst zijn 0300 Aarjen Garmensz Kruijf, 0302 Arien Brammer en zijn vrouw Maartje Pieters en 0606 Pieter Cornelisz Gorter.
Van onderstaande voorouders die al in de kwartierstaat stonden heb ik de toelichtingen gepubliceerd:
0088 Teunis Jacobsz Waagmeester en Guurtje Ariens Grasbeek
0094 Jan Hendriksz de Vos en Neeltje IJsbrants Welboren
0172 Cornelis Arisz Roosloot en Trijntje Teunis Hoogeboom
0346 Teunis Pietersz Hoogeboom en Trijntje Hendriks Stam
 
 
Geplaatst in Site (update) | 2 reacties

Aanvullingen

Afgelopen weekend heb ik het volgende aan mijn site toegevoegd:
 
Toelichtingen op de kwartierstaat van
62 Johannes Georg Kaiser en Petronella de Kort
80 Jan Pietersz Opdam en Jannetje Cornelis Stet
82 Jacob Cornelisz Oldenburg en Aafje IJsbrands Welboren
86 Pieter Cornelisz Roosloot en Ursula Hendriks Sterken
 
In de kwartierstaat zelf heb ik de ouders van 75 Immetje Gerrits Kruijf toegevoegd. Ik heb lang getwijfeld of Gerrit Aarjens Kruijf en Trijntje Ariens Brammer uit Schoorl wel haar ouders waren. Zij waren al overleden voordat Immetje in Warmenhuizen trouwde met Aarjen Glas. Het weesboek van Schoorl is in die periode niet bewaard gebleven, en alle onroerende goederen werden voorafgaand aan het huwelijk van Immetje al verkocht. Alle namen en vernoemingen passen echter in elkaar, en Pieter Kruijf die met Willempje Willems trouwde kwam vlak voor zijn huwelijk in Alkmaar uit Schoorldam. Willempje Willems was doopgetuige bij de doop van een kind van Immetje. Ook heb ik globaal gekeken waar in Noord-Holland de naam Kruijf voorkwam. Alles bij elkaar is de kans dat ik goed zit toch wel groot genoeg om de familieband aan te nemen.
 
Verder heb ik een transcriptie met foto’s van een notariële akte van 16 februari 1638 geplaats bij de bronvermeldingen van het verhaal over Reijer Maertsz (Molenaar).
Het verhaal over zijn zoon Maarten Reijersz Molenaar heb ik aangevuld met wat nieuwe gegevens uit het notulenboek van de Schepenen en Vroetschappen van Zuid- en Noord-Schermer.
Bij mijn voorouders Pieter Jansz Molenaar en Neeltje Dirks heb ik naast de ligging van hun huis ook nog wat gegevens over een kostgangster toegevoegd.
 
Geplaatst in Site (update) | Een reactie plaatsen

Woning Neeltje Dirks en Pieter Jansz Molenaar

Afgelopen week ben ik eens aan het puzzelen geweest om de plek te kunnen bepalen waar mijn voorouders Neeltje Dirks en Pieter Jansz Molenaar hebben gewoond. Dat ze in Zijdewind in de gemeente Niedorp woonden was me al bekend. In 1758 kreeg Neeltje daar een huis geschonken. Ik heb een aantal gegevens naast elkaar gelegd, zoals de landlegger van 1683 (bijgehouden in de jaren die volgden), de verpondingen van 1756 t/m 1761, diverse aan- en verkopen uit het register van transporten en hypotheken, en het kadaster van 1832. Op die manier kreeg ik een aardig beeld van de omgeving van het huis van mijn voorouders. Het waren genoeg gegevens om met vrij grote zekerheid te kunnen bepalen op welk perceel hun huis had gestaan (kadaster sectie A nummer 283 in 1832). Toch wel leuk om hier na al die tijd achter te komen. Vooral omdat er van deze voorouders zo weinig te vinden is. In een eerstvolgende update van mijn site zal ik het resultaat van dit gepuzzel verwerken.
 
Het is alweer een tijdje geleden dat ik iets in dit weblog heb geschreven. Stil heb ik echter niet gezeten. Naast vakantievieren heb ik vele bronvermeldingen aan mijn site toegevoegd, met soms ook transcripties en afbeeldingen van oude documenten. Verder heb ik onderstaande toelichtingen op mijn kwartierstaat toegevoegd:
Geplaatst in Site (update) | Een reactie plaatsen

update

In de archieven van de belastingrechtspraak in Alkmaar heb ik nog eenmaal een zaak tegen Abram Reijersz gevonden. Hij werd verdacht van heb hebben van 3 zakken rogge op zijn molen waar geen belasting over was betaald. Volgens Abram waren het dezelfde zakken als de dag ervoor waar wel belasting over betaald was. Dit speelde zich af in 1669 en 1670 en heb ik toegevoegd op de site in het verhaal over Abram.
Daarnaast een aantal kleine aanvullingen in de kwartierstaat en genealogie. Vanuit het verhaal over Reijer Pietersz heb ik de ligging van 6 objecten (molens, bakkerijen en landerijen) via Google maps aangeduid. Verder heb ik de menustructuur aangepast in aanloop naar het verder uitwerken van de bronvermeldingen.
Geplaatst in Site (update) | Een reactie plaatsen